- Onze kinderopvang is van 2 jaar tot 4 jaar. Dus wij zijn geen kinderopvang voor baby’s. Te vroeg naar de kinderopvang is daarom bij ons niet van toepassing.
- Bij onze kinderopvang kan een ouder tijdens een wenperiode zolang aanwezig blijven als zij/hij wil.
Lees hier het artikel: Roseriet Beijers: Kinderen gaan te jong naar kinderopvang en de wenperiode moet andersBron: kinderopvangtotaal.nl
Carmen Felix
Roseriet Beijers: ‘Kinderen gaan te jong naar kinderopvang en de wenperiode moet anders’
Veel pedagogisch professionals kennen de aloude conclusie uit verschillend onderzoek naar wennen: baby’s krijgen verhoogd cortisol op de opvang, dus wennen is stressvol. Maar die conclusie klopt niet, of is in elk geval veel te kort door de bocht, volgens Roseriet Beijers. Zij is universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit en gepromoveerd op de eerste duizend dagen van kinderen.
Eerder was in een tweeluik (hier en hier) op de website van het Expertisecentrum Kinderopvang al te lezen hoe het bekende cortisolonderzoek volgens Roseriet verkeerd wordt geïnterpreteerd. In dit gesprek gaat ze verder: Nederland loopt achter, en de oplossing is ingewikkelder dan we denken.
Cortisolonderzoek verkeerd geïnterpreteerd
Het onderzoek waar Beijers aan meewerkte, werd in de praktijk jarenlang op een manier samengevat: de start op de kinderopvang leidt tot verhoogd cortisol, en dat betekent dat baby’s massaal stress ervaren. Daardoor ontstond het beeld dat kinderopvang slecht is voor jonge kinderen, iets wat professionals direct voelden als een aanval op hun werk. Maar dat beeld deugt niet, zegt Beijers.
‘Dit zegt iets over hoe serieus we de kinderopvang nemen als ontwikkelingsomgeving.’
‘Als ik een lezing moet geven, krijg ik ook een hoger cortisolniveau. Anders zou ik halverwege omvallen. Cortisol geeft aan dat je probeert om te gaan met veranderingen, en dat je daar energie voor nodig hebt. Bij baby’s die wennen is alles nieuw: de professionals, de omgeving, andere kinderen, het gescheiden zijn van de ouders. Dat is uitdagend, niet per se stressvol.’
Wat wetenschappelijk onderzoek wel laat zien, en wat belangrijk is om te onthouden, is dat langdurige of herhaalde blootstelling aan verhoogd cortisol schadelijk kan zijn voor de hersenontwikkeling. Dat is iets anders dan zeggen dat wennen als zodanig schadelijk is. De vraag is dus niet: leidt wennen tot cortisol? Maar: wanneer wordt het teveel, en hoe herken je dat?
Vijf processen tegelijk, en drie worden verwaarloosd
Wennen is in Nederland geen onderwerp dat wetenschappelijk goed in kaart is gebracht. Beijers trof bij haar literatuuronderzoek slechts één Nederlandse studie, die waaraan ze zelf heeft meegewerkt, en één die liep mis door corona. Ter vergelijking: over de start op de basisschool bestaat een veelvoud aan onderzoek. Dat zegt iets over hoe serieus we de kinderopvang nemen als ontwikkelingsomgeving, stelt Beijers.
Wat we ondertussen wel weten, is dat wennen geen eenvoudig proces is. Er spelen vijf dingen tegelijkertijd. Het kind leert op de groep te zijn zonder de ouders. De ouders leren de zorg los te laten. De band tussen kind en professional moet groeien. De samenwerking tussen professional en ouder start. En het kind leert de andere kinderen kennen.
Vormen en voegen naar de kinderopvang
‘We denken in Nederland eigenlijk helemaal niet op die manier over wennen. We denken meer: het kind start hier, en het moet zich vormen en voegen naar hoe wij het hier altijd doen. Dat is precies omgekeerd aan hoe het zou moeten.’
Van die vijf processen worden er minstens drie structureel verwaarloosd, zegt Beijers. De band tussen kind en professional heeft gelukkig aandacht, continuiteit en een vast gezicht staan op de agenda, ook al is dat in de praktijk lastig te realiseren. Maar de samenwerking tussen professional en ouder, het wennen van de ouder zelf, en de baby die zijn plek vindt tussen de andere kinderen? Daar wordt nauwelijks aandacht aan besteed.
Ouders op de groep: waarom zijn we er zo bang voor?
In vrijwel alle landen om ons heen blijven ouders tijdens de wenperiode veel langer op de groep aanwezig. In Duitsland is het zelfs verplicht: ouders worden geacht op de groep te blijven totdat de professional zegt dat het kind voldoende gewend is. Zegt de ouder dat ze het wel prima vindt zo, dan heeft ze pech en komt ze gewoon terug. Dat is een fundamenteel andere benadering dan in Nederland.
Hier zijn professionals vaak nerveus als ouders op de groep willen blijven. Dat is herkenbaar voor velen in de sector, maar waarom is dat eigenlijk zo? Beijers geeft toe dat ze het antwoord schuldig moet blijven.
Beren op de weg
‘Ik heb alle literatuur gelezen, en in alle andere landen wordt er gewoon veel langer gewend met de ouders op de groep. Wat is het dan in Nederland dat we zoiets hebben van: nee, dat willen we niet? Ik hoor allerlei beren op de weg. Maar in andere landen doen ze het ook, dus blijkbaar kan het gewoon.’
Terwijl de voordelen aantoonbaar zijn, niet alleen voor het kind, maar voor alle betrokkenen. Ouders zien hoe druk het is op de groep. Ze begrijpen waarom niet alles mogelijk is. Ze zien dat hun kind niet de enige is. Professionals kunnen intussen gerichte vragen stellen: hoe doen jullie dit thuis? Wat werkt wel, wat werkt niet? Die informatie is goud waard, zeker bij jonge baby’s die zelf nog niets kunnen vertellen.
Het begint al voor de start, en eindigt niet na twee weken
Een goede wenperiode begint niet op de eerste dag dat het kind de groep binnenstapt. Volgens Beijers begint het eigenlijk al op het moment dat ouders voor het eerst bellen om te vragen of er nog plek is. Elk contactmoment draagt bij aan de basis van vertrouwen.
‘Toch zie je vaak dat het eerste echte gesprek pas enkele weken voor de start plaatsvindt. Maar ouders vragen zich al veel langer van alles af. Hoe gaat het straks? Wat moet mijn kind al kunnen? Die zorgen kun je beter zo vroeg mogelijk wegnemen, liefst al tijdens de zwangerschap.’
‘Een goede wenperiode begint niet op de eerste dag dat het kind de groep binnenstapt. Volgens Beijers begint het eigenlijk al op het moment dat ouders voor het eerst bellen om te vragen of er nog plek is.’
Dat intakegesprek mag ook inhoudelijk anders, vindt Beijers. Nu draait het vaak om logistiek: wanneer slaapt het kind, hoe drinkt het de fles. Terwijl de echte vraag zou moeten zijn: wat heeft dit kindje nodig? En: wat als het minder goed gaat dan gedacht? Is er een vangnet? Zijn er mogelijkheden voor halve dagen, of een latere startdatum?
Die vraag is minder vanzelfsprekend dan ze lijkt. Ouders hebben tijdens de zwangerschap vaak al alles gepland: het verlof, de werkgever die rekent op hun terugkomst, de startdatum. Als het daarna anders loopt, een huilbaby, moeite met slapen, vroeggeboorte; is er weinig ruimte meer om bij te sturen. Juist dan is het waardevol als een kinderopvang die ruimte eerder bespreekbaar maakt.
Wanneer is een kind gewend? Let ook op de stille signalen
Een veelgemaakte denkfout: een kind dat niet huilt, went goed. Beijers nuanceert dit nadrukkelijk. Er zijn ook kinderen die in zichzelf keren. Ze liggen zoet in de box, ze huilen niet, ze vragen niks. Maar ze pakken geen speelgoed op, maken weinig oogcontact, zijn moeilijk te bereiken.
‘Met weer andere baby’s is op de groep niets aan de hand, maar thuis barst de bom. Ze zijn moe, ze huilen de hele avond, ze slapen moeilijk. Dat moet je allemaal meenemen. Als jij een zware dag hebt gehad op je werk, ben jij thuis ook uitgeput. Waarom zou dat bij kindjes anders zijn?’
Daarom pleit Beijers voor een standaard evaluatiemoment na twee maanden, een gesprek dat niet als slecht nieuws hoeft te voelen, maar als gezamenlijk nadenken. Ouders zien het thuis ook. Ze merken de overprikkeling, de moeizame avonden. Het gesprek is er dus al, het helpt om het ook formeel te maken, zodat alle signalen bij elkaar komen.
Het echte knelpunt: kinderen gaan te jong naar de opvang
Achter al deze uitdagingen schuilt een structureler probleem, dat Beijers niet onbenoemd laat. Nederlandse kinderen gaan heel jong naar de opvang, en dat maakt alles moeilijker. Protocollen rond wiegendood gelden voor de jongste baby’s en zijn begrijpelijk, maar vragen van kind en professional veel: elke tien minuten controleren of slapende kinderen veilig liggen, kinderen die op de rug in een eigen bedje in slaap moeten vallen terwijl dat op die leeftijd voor velen nog heel moeilijk is.
‘Als kinderen pas vanaf acht maanden of een jaar zouden starten, zou dat heel wat druk wegnemen, voor iedereen.’
‘De oplossing zit er eigenlijk in dat we kinderen heel jong naar de opvang brengen. Waardoor ze heel onrijp zijn en heel afhankelijk. Als kinderen pas vanaf acht maanden of een jaar zouden starten, zou dat heel wat druk wegnemen, voor iedereen.’
Dat vraagt om politieke keuzes: langer en beter betaald ouderschapsverlof. Iets wat al jaren wordt bepleit, maar in de praktijk eerder achteruitgaat dan verbetert. Zolang die keuzes uitblijven, ligt de druk bij de kinderopvang, en bij professionals die dagelijks het beste proberen te doen binnen een systeem dat hen daarin niet altijd ondersteunt.
Wat kun jij morgen anders doen?
Op basis van dit gesprek zijn er een paar concrete dingen die professionals en managers kunnen oppakken, ook zonder dat er beleid verandert:
Begin het intakegesprek anders. Vraag niet alleen wanneer het kind slaapt of drinkt, maar ook: wat heeft dit kindje nodig? En: wat als het minder goed gaat dan gepland?
Verwelkom ouders op de groep, zeker in de eerste weken. Maak er geen uitzondering van, maar een vanzelfsprekendheid.
Plan standaard een evaluatiemoment na twee maanden. Niet als formeel gesprek over wat mis is, maar als gezamenlijk moment van: hoe gaat het nou echt?
Let op de stille kinderen, niet alleen op de huilende. Een kind dat terugtrekt, weinig oogcontact maakt of weinig speelt, heeft ook moeite, op een andere manier.
Praat vroeg over flexibiliteit. Kan een kind halve dagen starten? Is er ruimte voor een latere startdatum? Breng dat ter sprake voor de geboorte, niet twee weken ervoor.
Roseriet Beijers is onderzoeker en universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit. Ze is daarnaast nauw verbonden aan het werk van professor Marianne Riksen-Walraven, wier onderzoek naar sensitiviteit en responsiviteit van professionals heeft geleid tot nieuwe wet- en regelgeving in de Nederlandse kinderopvang.
