In onze kinderopvang zien wij vanaf de eerste dagen wat voor soort kind bij ons gebracht wordt.
Een hoog-sensitief/hoog-gevoelig kind, een hoog-ontwikkeld kind, i.e. vooruit voor zijn/haar leeftijd, een ADHD kind, een kind met autistische kenmerken, een ‘onhandelbaar’ kind, een ‘nee-kind’ dat op alles nee zegt, etc.
Elk kind krijgt de aanpak die het best past, waardoor elk kind zich binnen een paar dagen helemaal thuis voelt in onze kinderopvang en in de groep.
Onze sleutel is: wij zeggen nooit nee. Een omgeving waar een kind nooit tegen een ’nee’ op loopt is bevrijdend en blij-makend.
Trauma-sensitief werken: ‘Kinderen van 0 tot 3 jaar lopen grootste risico op mishandeling’
Jonge kinderen kunnen traumatische ervaringen vaak heel goed verborgen houden. In het regulier basisonderwijs heeft 55 procent van de leerlingen één tot drie verschillende soorten ingrijpende ervaringen meegemaakt. ‘Er is geen reden om te denken dat dit cijfer in de kinderopvang lager is,’ zegt Leony Coppens, klinisch psycholoog en deskundige in trauma bij kinderen. ‘De pedagogisch professional is voor een jong kind misschien wel de eerste volwassene buiten het gezin die beschikbaar, betrouwbaar en voorspelbaar is.’
Niet opvallen is een veelvoorkomende overlevingsstrategie bij jonge kinderen om trauma naar de achtergrond te dringen, weet klinisch psycholoog en deskundige kinder- en jeugdtrauma Leony Coppens. Vaak vertonen jonge kinderen die traumatische ervaringen meemaken opvallend of brutaal gedrag, of ze trekken zich terug. ‘Trauma herkennen betekent niet dat jij als pedagogisch professional therapeutisch moet gaan werken. Het betekent wél dat je tijdig signaleert en dat je alert bent op signalen die vragen om extra nabijheid, voorspelbaarheid en contact.’
Uw specialisatie is trauma-sensitief onderwijs.
Kan trauma-sensitieve kinderopvang
een verlengde hiervan zijn?
‘Zeker, het is de logische volgende stap. Trauma-sensitief onderwijs is gebaseerd op kennis over wat trauma doet met kinderen. En over wat kinderen helpt bij herstel, namelijk veilige relaties, voorspelbaarheid, co-regulatie en veerkrachtversterking. Die principes gelden voor elk kind, ongeacht waar het de dag doorbrengt.
De kinderopvang is voor heel jonge kinderen de eerste plek buiten het gezin. Juist dáár worden de fundamenten gelegd omdat de hersenen zijn volop in ontwikkeling, hechtingspatronen vormen zich, en de allervroegste ervaringen met “zijn volwassenen betrouwbaar?” worden in de hersenen ingemetseld. Als pedagogisch medewerkers begrijpen hoe trauma en chronische stress dit hersenproces beïnvloeden, dan kunnen ze eerder en gerichter het verschil maken in hun werk met kinderen. Trauma-sensitieve kinderopvang is eigenlijk de basis van TSO – trauma-sensitief onderwijs.’
Hebben kinderopvang professionals vaak
te maken met trauma bij kinderen?
‘Vaker dan de meesten denken. We weten uit onderzoek in het basisonderwijs dat 54 procent van de kinderen tussen de één en drie verschillende soorten ingrijpende ervaringen heeft meegemaakt. 35 Procent zelfs vier of meer ingrijpende ervaringen. Bijvoorbeeld een ouder met psychiatrische problemen, verwaarlozing, geweld in huis of opgroeien in armoede. Ja, ook armoede kan traumatisch zijn voor kinderen omdat kinderen vaak de stress van hun ouders oppikken en er in mee gaan. Bovendien kan financiële stress ervoor kan zorgen dat ouders minder sensitief zijn voor wat hun kinderen van hen nodig hebben.
Voor de kinderopvang zijn geen vergelijkbare Nederlandse cijfers, maar er is geen reden om aan te nemen dat het er daar anders uitziet. In Nationale Prevalentiestudie Mishandeling schatten de onderzoekers dat tussen de 90.000 en 127.000 kinderen in Nederland jaarlijks te maken hebben met kindermishandeling Dat is ruim drie procent van alle kinderen, gemiddeld één per basisschoolgroep. Kinderen tussen 0 en 3 jaar lopen het grootste risico om slachtoffer van kindermishandeling te worden.
De gevolgen van vroegkinderlijk trauma gaan lang door, ook nadat de situatie al is gestopt. Dat betekent dat in elke peutergroep kinderen zitten die al van jongs af aan met spanning en onveiligheid opgroeien, en waarvan het gedrag pas later, in de basisschoolleeftijd of daarna, als “probleem” wordt gezien. Dan ben je al laat.’
Wordt trauma herkend door pedagogisch professionals?
‘Leerkrachten in het basisonderwijs dachten dat er gemiddeld drie kinderen in hun klas ingrijpende ervaringen hadden opgedaan. De kinderen zelf rapporteerden bijna de helft. Dat blijkt uit een onderzoek van Remy Vink e.a. uit 2016. Er zit dus een groot gat tussen wat professionals denken te zien en wat er daadwerkelijk speelt. Dat komt deels doordat kinderen heel goed kunnen verbergen wat er aan de hand is; niet opvallen is een veelvoorkomende overlevingsstrategie. En deels doordat gedrag dat uit trauma voortkomt er vaak uitziet als druk gedrag, brutaal gedrag, somberheid of gewoon niet meedoen. Zonder traumabril zoek je dan de oorzaak al snel bij het kind of het gezin, in plaats van bij wat het kind heeft meegemaakt.’
Wil je het trauma wel zien, want dan moet je ook handelen?
‘Ik herken dat dilemma vanuit mijn trainingspraktijk voor professionals. Als je trauma herkent, voel je ook de verantwoordelijkheid om iets te doen. Maar trauma-sensitief werken vraagt niet van pedagogisch medewerkers dat ze therapeut worden en als zodanig moeten helpen. Het vraagt wél van pp’ers dat ze begrijpen dat gedrag hen iets vertelt, dat ze een veilige relatie bieden en dat ze de meldcode kennen en durven te gebruiken. Professionals moeten weten wanneer ze moeten doorverwijzen.’
Waarom is het belangrijk om trauma
bij kinderen vroeg te signaleren?
‘Omdat je tussen 0 en 3 jaar het grootste risico loopt op kindermishandeling. Waarschijnlijk omdat zij volledig afhankelijk zijn van hun ouders en zich niet kunnen verweren of vertellen wat er gebeurt. Terwijl de kinderen juist veel zorg vragen en ouders – die toch al onder druk staan – extra kan belasten. Chronische stress, psychische problemen, middelengebruik en beperkte opvoedvaardigheden maken de kans op mishandeling groter.
Bovendien is de impact van trauma bij jonge kinderen extra groot omdat hun hersenen nog volop in ontwikkeling zijn. Chronische stress en onveiligheid in die periode beïnvloeden hoe stresssystemen zich organiseren, hoe gehechtheid zich ontwikkelt, en hoe kinderen later met emoties omgaan. Wanneer er in die periode niemand is die de spanning helpt dragen en reguleren – dat is co-regulatie – blijft het stresssysteem langdurig op scherp staan. Dat heeft consequenties voor gedrag, voor leren, voor relaties, soms tot ver in de volwassenheid.
Maar let wel: vroeg signaleren betekent niet dat je meteen een ’traumakind’ label op plakt. Het betekent dat je alert bent op signalen die vragen om extra nabijheid, voorspelbaarheid en contact. En dat je tijdig in gesprek gaat met ouders, met een aandachtfunctionaris en met een zorgprofessional. Jonge kinderen kunnen chronische klachten ontwikkelen als ze niet op tijd de juiste steun krijgen. Als je vroeg bent, kun je voorkomen dat dat gebeurt.’
Welke rol heeft de pedagogisch professional
in de begeleiding van kinderen met trauma?
Een heel grote functie én een heel haalbare rol. De pedagogisch medewerker hoeft geen behandelaar te zijn. Maar ze is voor een jong kind misschien wel de eerste volwassene buiten het gezin die voortdurend beschikbaar, betrouwbaar en voorspelbaar is. En dat is precies wat een kind met trauma het meeste nodig heeft.
Kinderen hechten zich veilig aan volwassenen die sensitief reageren op hun signalen, die nabij blijven als spanning oploopt, en die na een moeilijk moment de relatie herstellen. In de kinderopvang ziet dat er uit als: rustig blijven als een kind ontregeld raakt, een vast ritueel bieden bij het afscheid nemen, de naam onthouden van het knuffelbeestje, uitleggen wat er straks gaat gebeuren. Kleine dingen, maar het zijn precies die herhaalde, betekenisvolle momenten die het brein nieuwe verbindingen laten bouwen. Elke interactie die een pedagogisch professional heeft met een kind is een therapeutische interventie.
Verder hebben pedagogisch professionals een signalerende rol. Zien wat er speelt, vastleggen wat je observeert, collega’s informeren, ouders benaderen en weten wanneer je opschaalt.’
Veerkracht is belangrijk om kind te beschermen
tegen de effecten van trauma. Hoe kun je als pedagogisch
professional de veerkracht bevorderen?
‘Veerkracht groeit niet vanzelf, en het is zeker geen karaktertrek. Het is iets wat ontstaat in contact met anderen, met name in veilige, betrouwbare relaties met volwassenen. De belangrijkste bijdrage die een pedagogisch medewerker kan leveren is aanwezig zijn, afstemmen, en niet weglopen als het moeilijk wordt. Concreet betekent dat: vaste gezichten op de groep en routines bieden, want voorspelbaarheid verlaagt stress. Je kunt kinderen helpen hun gevoelens te benoemen, na een conflict de relatie herstellen, kleine successen benoemen, en kinderen laten ervaren dat ze ertoe doen in de groep. Dat zijn geen grote therapeutische programma’s, maar kleine druppels die je elke dag kunt toevoegen.’
Kan meer veerkracht het trauma van een kind tackelen?
Hoe? En hoe niet?
‘Veerkracht kun je zien als de bodem waarop herstel mogelijk wordt. Veerkracht zorgt ervoor dat een kind beter kan omgaan met stressvolle ervaringen; dat het niet alleen staat, dat het iemand heeft om bij terug te keren, dat het ook successen en plezier ervaart. Door die positieve ervaringen te stapelen, bouwen kinderen letterlijk nieuwe neurale verbindingen op. Het brein is plastisch, ook na ingrijpende ervaringen kunnen nieuwe, veiligere paden worden aangelegd. Zeker in de vroege kinderjaren.
Maar veerkracht haalt geen herinneringen weg. Een kind met een complexe traumageschiedenis heeft gerichte behandeling nodig, naast een omgeving die de veerkracht van een kind versterkt. Het is dus niet óf veerkracht, óf behandeling, het is allebei. De kinderopvang en de school zijn de aangewezen plekken om veerkracht te versterken.’
Kinderen met trauma vallen nu onder ‘zorgenkinderen’.
Moet er iets veranderen in het beleid in de kinderopvang?
‘Op dit moment worden kinderen met opvallend gedrag al snel gelabeld en daarmee wordt de focus gelegd op wat er mis is met het kind. Terwijl de vraag zou moeten zijn: wat heeft dit kind meegemaakt, en wat heeft het nodig? Dat is een andere bril. En die bril heeft consequenties voor het beleid op de kinderopvang. Het betekent dat basiskennis over trauma en over de gevolgen van chronische stress onderdeel moeten worden van de opleiding en in de bijscholing van pedagogisch medewerkers.
Het betekent dat er aandacht moet zijn voor stressklachten die professionals kunnen ontwikkelen als je dagelijks werkt met kinderen die ingrijpende dingen hebben meegemaakt. Werken met kinderen die veel stress dragen is zwaar en vraagt om ondersteuning van het team. Het betekent ook dat de meldcode niet iets is dat je alleen toepast bij overduidelijke signalen, maar dat je proactief leert signaleren en bespreken.
En het vraagt om samenwerking: tussen kinderopvang, basisonderwijs, ouders en de zorg. Een trauma-sensitieve pedagogisch medewerker staat sterker als zij ook de kennis heeft, evenals bij de leerkracht in groep één. Het is belangrijk dat trauma-sensitief werken elkaar opvolgt. De overgang van kinderopvang naar school is voor kwetsbare kinderen een van de meest kwetsbare momenten in het jonge leven, en daar valt nog veel winst te behalen.’
